Het ontstaan van ‘bodembescherming’ en Stichting ODI/VDV

Inleiding

Bodemverontreiniging heeft een lange historie, zo waren er in de 18e eeuw al meerdere chemische bedrijven actief en de eerste commerciële benzinepomp dateert uit 1920. Hoe meer de welvaart in de jaren daarna toenam hoe meer bodemgevaarlijk afval er in het milieu terecht kwam. Door de toegenomen welvaart nam de hoeveelheid afval toe. In de jaren '60 werd op zijn zachtst gezegd makkelijk omgesprongen met afval, waaronder chemisch afval. Ook was de vraag naar bouwgrond groot door de woningnood. Op sommige plaatsen, zoals bijvoorbeeld in Lekkerkerk, werden woonwijken gebouwd op vuilstortplaatsen om zo twee problemen met één project op te lossen. Bij de stort van het afval werd kennelijk geen of te weinig rekening gehouden met de effecten die het afval op het bodem- en leefmilieu had.
Toen in de begin jaren ’80 de gevolgen van het storten van chemisch afval zichtbaar werden doordat complete waterleidingen, funderingen en rioleringen aangetast waren en bewoners ziek werden, kreeg men in de gaten dat het simpelweg onder de grond stoppen van afval niet de oplossing was en is wetgeving ontwikkeld: de Wet bodembescherming (d.d. 1 januari 1987). In deze wet is onder meer het begrip ‘zorgplicht’ opgenomen hetgeen inhoudt dat degene die de bodem verontreinigd verplicht is deze weer schoon te maken.

Wetgeving

In de Wet bodembescherming is niet opgenomen hoe men moet voorkomen dat de bodem wordt verontreinigd. Hiervoor is pas later wetgeving opgesteld, in 1990 werd het 'Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer' en in 1994 het ‘Besluit tankstations voor het wegverkeer milieubeheer’ van kracht. In deze besluiten is bepaald dat de betrokken bedrijven voorzieningen moeten treffen op plaatsen waar milieuonvriendelijke stoffen kunnen doordringen tot bodem en/of grondwater, zogenaamde vloeistofdichte en vloeistofkerende vloeren. Later is zelfs nog een specifieke richtlijn voor bodembescherming opgesteld, de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (eerste versie in 1997, herziene versie in 2001).
Om duidelijkheid te bieden over wanneer een vloer of voorziening vloeistofdicht is, is mede door de deelnemers van Stichting ODI de CUR/PBV-Aanbeveling 44 ontwikkeld. Hierin worden concrete criteria gegeven voor de beoordeling van de vloeistofdichtheid van in gebruik zijnde vloeren en verhardingen en daarmee samenhangende voorzieningen. De aanbeveling stelt onder meer dat deze beoordeling moet plaatsvinden door een onafhankelijke deskundige. De CUR/PBV-Aanbeveling 44 is inmiddels diverse keren aangepast, de vierde herziene versie is momenteel de meest recente versie en ook in de meest recente wetgeving (Activiteitenbesluit) opgenomen als officieel erkend inspectiedocument.

Ontstaan Stichting ODI/VDV

Op 15 april 1996 hebben belanghebbenden de Stichting ODI (Onafhankelijke Deskundige Inspecteurs en adviseurs) opgericht. Aanleiding tot dit initiatief was de toenemende behoefte aan aantoonbare onafhankelijkheid en deskundigheid van inspecteurs en adviseurs. Niet alleen CUR/PBV-Aanbeveling 44 verwijst naar deze onafhankelijke deskundige. Ook overheden, verzekeringsmaatschappijen, financiers en branche-organisaties van bedrijven met een verhoogd risico op bodemverontreiniging, hebben vastgesteld welke belangrijke rol deze onafhankelijke deskundige heeft bij het samenstellen en instandhouden van bodembeschermende voorzieningen. Binnen de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) en het Plan Bodembeschermende Voorzieningen (PBV) opgestelde documenten wordt daarom ook ruimschoots aandacht gegeven aan dit onderwerp.
Om duidelijkheid te creëren in de markt is begin 2000 besloten om twee vergelijkbare initiatieven (Stichting ODI en Vabor/VDV) te bundelen. Dit heeft geleid tot de oprichting van de Stichting ODI/VDV. Inmiddels is Stichting ODI/VDV uitgegroeid tot het belangrijkste orgaan voor inspectiebedrijven en zijn zo goed als alle inspectiebedrijven van Nederland aangesloten.